Wieringer Skuutje WR60

Het oudste nog varende vissersschip van Nederland.

Geschiedenis van de WR 60.                         12 november 2011161023   Logo SSWR60   transparant (Custom)

De WR 60 is het enige nog overgebleven Wieringer "skuutje",vroeger ook wel "haringschuitje" genoemd, van een vloot van vele tientallen van deze scheepjes. Het skuutje heeft een veel spitsere kop en kont dan een aak, zelfs nog scherper dan een botter. De lengte varieerde van acht tot elf meter ongeveer. Het vlak is niet omhoog gebogen als bij een aak, maar bijna recht. De indeling en zeilvoering is gelijk aan die van een aak. Door schaalvergroting in de visserij raakten de skuutjes na 1880 verouderd. Ze werden vervangen door aken.

Gezien het grote aantal skuutjes, op Wieringen alleen al tussen de tachtig en honderd, met ook in andere vissersplaatsen flinke aantallen, is de werf in Medemblik zeer onwaarschijnlijk. Er was daar in de negentiende eeuw alleen een kleine werf voor veldschuiten. De werf van Alkema in Makkum is veel waarschijnlijker als bouwplaats voor al deze schepen. Helaas beginnen de werfboeken van Alkema, die nu in het Fries Scheepvaart Museum te Sneek liggen, pas in 1854.

Volgens overlevering is de WR 60 omstreeks 1840 gebouwd voor visserman Nan Tijsen uit Den Oever. Hij is geboren in Oosterland op 5 juni 1823, als negende kind van Jan Tijsen en Antje Gorter, en overleden op 24 augustus 1905. Hij trouwde op 7 juli 1850 met Trijntje Bakker. Toen het skuutje gebouwd werd, was Nan Tijsen nog maar een jaar of zeventien, het is niet bekend, of hij meteen al schipper werd. Wel staat hij vermeld als schipper in Van Keulen's Almanak in 1884 en in een vlootlijst van de havenmeester uit omstreeks 1887.

De WR 60 is daarmee één van de oudste nog varende vissersschepen van Nederland, samen met de mogelijk in 1837 op de werf van Kaat in Hoorn gebouwde EB 60, ex HN 1.

Er zijn nog wel een tweetal oudere schepen in Nederland, maar dat zijn oorspronkelijk vrachtscheepjes. Het zijn de Friese jachten Lytse Bever, uit 1820 en De Vriendschap uit 1832.

 

Omstreeks 1890 kocht Piet Breet W.zn. het schip van de nabestaanden van een jonge visserman, ook een Breet, maar geen familie, die wegens een op de Wieringer kermis uitgeraakte verkering een eind aan zijn leven had gemaakt. Hij had de vlag halfstok gehesen en was overboord gesprongen met om zijn nek een touw, waarvan het andere eind aan de voorbolder vastzat. Dat gebeurde in het Stontele haventje bij Den Oever.

Pieter Breet, geb. 30 juni 1872, overl. 6 januari 1944,was een zoon van Willem Breet, geboren 29 februari 1831. Pieter trouwde met Geertje Smit, geb. 9 april 1874. Zij kregen twee kinderen, Simon, geb.14 juni 1899 en Ariaantje, geb. 20 maart 1913. Simon trouwde met Trijntje Lont. Zij kregen drie kinderen, Geertje, Jaap en Piet.

Aanvankelijk bestond er in de negentiende eeuw geen registratie van kustvissersvaartuigen. Hieraan kwam behoefte door de enorme toename van het aantal schepen en daarmee het beter reguleren van toezicht op overtredingen van visserijwetten en het verhalen van schadevaringen aan schepen en netten. De uitbreiding van de vloot was het gevolg van hogere visprijzen door de grotere vraag naar vis in de steden. Door beter transport, het machinaal vervaardigen van netwerk en het gebruik van kunstijs voor bewaren van de vis kon hieraan voldaan worden.

Het eerste landelijke officiële visserijregister is op 1 augustus 1882 opgezet. Elke gemeente kreeg zijn eigen lettercode toegewezen, en de schepen een nummer. Omdat de nummers doorliepen en de vrijkomende nummers niet opnieuw gebruikt werden, zat men na twintig jaar al in de tweehonderd of hoger in veel havens.

In de loop van 1911 werd het register herzien, waarbij de hoge nummers zoveel mogelijk een vrijgekomen laag nummer kregen. Dan werd bijvoorbeeld WR 325 veranderd in WR 32 of WR 25, afhankelijk van wat er vrij was.

De oudere registratiegegevens zijn toen opgeruimd, zodat er over de periode voor 1911 weinig gegevens meer zijn, behalve de almanak van Van Keulen uit 1884 en de vlootlijst.

Zeker is, dat het schip in november 1911 het nummer WR 60 had. Er is geen reden om aan te nemen dat het voor die datum een ander visserijnummer bezat.

Het werd toen ingeschreven onder de naam "De Jonge Jan", lengte 9,03 meter, breed 3,17 meter, holte 5,11 meter. De diepgang is ongeveer 60 cm.

Deze lengte is gemeten vanaf binnenkant voorsteven op dek tot waar achter het berghout in de steven loopt. Tegenwoordig meet men meestal de lengte over de stevens, die bij dit schip uitkomt op ongeveer 9,90 meter.

De breedte is de grootste breedte op de buitenkant van de berghouten en de holte is gemeten onder het schip door van de bovenkant van het boord tot de bovenkant van het andere boord, dus de buitenomtrek van het schip.

Het scheepje werd gebruikt voor de visserij in de zuiderzee en de waddenzee op alikruken en wulken met korren en op paling en bot met botnetten, fuiken en hoekwant. Er waren twee opvarenden.

Op 14 januari 1927 ging het schip over op de zoon van Piet Breet en Trijntje Lont, Simon, geboren 14 juni 1899, overleden in 1980. Hij woonde aan de Koningsweg no. 6 te Hippolytushoef.

De tonnage van het schip werd gecorrigeerd van bruto 16 naar 29 m3 en netto van 10 naar 13 m3. In 1942 werd een 8 -10 pk ééncilinder Bolinder diesel ingebouwd. Hierop zat een keerkoppeling, maar die werd vaak niet gebruikt. Kwam Simon de haven in, dan zette hij de motor op tijd vrij en liet het skuutje uitdrijven, de rest van het afmeren was haakstokwerk.

Omstreeks 1947 heeft hellingbaas Kees de Wijn uit Oudeschild het schip een grote timmerbeurt gegeven, waarbij volgens zeggen de kimmen ronder werden gemaakt.

De mast werd één meter ingekort en zeil en fok verkleind omdat de motor vaker gebruikt werd.

In 1964 stopte Simon Breet met de visserij, daarna voer hij nog tot 1968 met hengelaars.

Uitschrijving uit het register 8 augustus 1968.

Simon Breet verkocht het skuutje in 1969 aan Simon Hemelrijk uit Oudeschild, die er mee voor zijn plezier ging varen. Het nummer werd veranderd in TX 60. Hij verving de oude Bolinder motor in 1976 door een tweecilinder 16 pk Sabb diesel.

WR60   401De inschrijving in het register van de Stichting Stamboek Ronde- en Platbodemjachten onder plaquette nummer 1944 volgde, evenals inschrijving in het register voor Varende Monumenten, categorie A, onder nummer 336.

Na twee en dertig jaar verkocht Simon Hemelrijk het schip aan de Hoornse stichting "Behoud blazertje WR 60", die het oude nummer er weer opzette. Dank zij actieve fondswerving kon er aan het in slechte staat verkerende skuutje gerestaureerd worden op de werf "De Hoop" van Erick Mulder te Workum.

Door gebrek aan mankracht en middelen besloot de stichting in november 2011 het schip over te dragen aan de Wieringer stichting "Vrienden van de Wieringeraak"', die de WR 60, weer in prima conditie heeft gebracht om het zo voor de toekomst te behouden. April 2015 was de restauratie gereed en kon het scheepje weer varen.